Van 1624 tot 1662 stond het eiland Formosa – het huidige Taiwan – onder het bewind van de Nederlandse Verenigde Oost-Indische Compagnie (VOC) (afb. 1). Voor die tijd was de handel in Chinees porselein lastig, aangezien de VOC geen directe toegang tot China had en de aanvoer daardoor onstabiel was. Vanuit Fort Zeelandia, de handelspost die de VOC op Formosa stichtte, verliep de porseleinhandel een stuk voorspoediger. In enkele opeenvolgende jaren werden er jaarlijks meer dan 200.000 stuks porselein naar de Republiek geëxporteerd; een ruime verdubbeling van de aantallen ten opzichte van de periode daarvoor. Tijdens de bezetting van Formosa had de VOC meer directe controle op de aanlevering van Chinees porselein. Deze periode was echter maar van korte duur: in 1644 viel in China de Ming-dynastie, de porseleinproductie stortte hierdoor snel in en de VOC werd door gevluchte Ming-loyalisten van Formosa verdreven. Vanuit het perspectief van de porseleinhandel wordt in dit artikel uiteengezet hoe de Nederlanders op Formosa terechtkwamen en hoe het hen daar verging.

De VOC via Formosa naar China

Kort gezegd kwam de kolonisatie van Formosa voort uit de sterke ambitie van de VOC om een directe handelsverbinding met China tot stand te brengen. Al voordat de Nederlanders onder eigen vlag naar Oost-Azië voeren, waren er hoge verwachtingen over China en het niveau van deze beschaving. In vroege Nederlandse reisverslagen werd China afgeschilderd als een rijk en cultureel hoogstaand land. Porselein – een product van typisch Chinese makelij – stond daar symbool voor. Vergeleken met Europees aardewerk en steengoed was porselein, zowel technisch als esthetisch gezien, van ongekende kwaliteit: het was kristalwit – hard, glad en glanzend, en tegelijkertijd bijna doorzichtig. Bovendien had men in Europa geen idee waarvan dit type keramiek gemaakt werd, wat het materiaal alleen nog maar fascinerender maakte.

In de praktijk bleek het echter lastig om met China een staat van vrije handel te realiseren. China was in Oost-Azië een grootmacht en fungeerde als dominante culturele invloedssfeer, maar dit ging gepaard met een isolationistische politiek: buitenlandse handelaren mochten zich in principe niet op het vasteland van China vestigen om handel te drijven. Toch hadden de Portugezen het voor elkaar gekregen een handelspost te vestigen in Macao, en de Spanjaarden hadden indirect toegang tot de Chinese markt via de Filipijnen. De Nederlanders probeerden aan het begin van de zeventiende eeuw meerdere keren voet aan wal te krijgen in Macao, maar telkens liepen de onderhandelingen spaak of kwam het tot een conflict met de Portugezen en de Chinezen.

Aangesloten zijn op de porseleinhandel had voor de VOC niet de hoogste prioriteit. De handel in specerijen was het meest lucratief, en daarvoor richtte de VOC haar pijlen op de Specerijeneilanden – de Molukken in Indonesië. Een directe handelsverbinding met China bleef daarom in de beginperiode uit, maar via tussenhandel en kaapvaart op Portugese en Spaanse schepen konden de Nederlanders toch aan porselein en andere Chinese luxegoederen komen. Chinees zijde, maar ook porselein, fungeerde voor de VOC als belangrijke handelswaar binnen de intra-Aziatische tussenhandel met Japan en India – waarmee veel winst werd geboekt.

Voor de VOC was een gestage toevoer van Chinese luxegoederen dus gewenst. Met een plan uit de koker van Jan Pieterzoon Coen (1587-1629) – de toenmalige gouverneur-generaal van Nederlands-Indië voor de compagnie – werd in 1622 daarom een aanval op Macao georganiseerd. Deze aanval mislukte en de Nederlanders besloten daarop uit te wijken naar de Pescadores: een kleine eilandengroep voor de oostkust van China, ter hoogte van de provincie Fujian. Daar werd een fort gesticht om opnieuw contact met China te zoeken. Dit was echter een doorn in het oog van het Chinese keizerrijk en na twee jaar schermutselingen over en weer kwam er een overeenkomst: de VOC moest de Pescadores verlaten, maar mocht in ruil daarvoor een fort stichten op het nabijgelegen eiland, wat door de Europeanen werd aangeduid als Formosa. Zo geschiedde: aan de zuidwestkust van Formosa namen de Nederlanders de zandbank Tayouan in – het huidige district Anping in de stad Tainan – waar zij Fort Oranje oprichtten, dat in 1627 werd omgedoopt tot Fort Zeelandia (afb. 2-3).

Het voornaamste doel van de VOC met hun handelspost op Formosa was winst behalen met de tussenhandel via China. Op het moment dat de Nederlanders daar arriveerden, werd het eiland al eeuwenlang bewoond door een grote verscheidenheid aan inheemse bevolkingsgroepen, waarvan sommigen geregeld verwikkeld waren in oorlogsvoering. Dit bemoeilijkte de kansen van de VOC om het eiland en haar handelsbronnen – zoals hertenhuiden – volledig te benutten voor eigen gewin. Om die reden besloot de VOC over te gaan tot pacificatie van de inheemse bewoners, waarbij missiewerk een belangrijke rol speelde. Het afdwingen van ‘vrede’ verliep lang niet altijd zonder problemen en bij weerstand werd door de compagnie soms excessief geweld ingezet. Door actieve aanmoediging van de VOC kwamen er ook veel Chinezen naar het eiland, waaronder, belastinginners en boeren voor het verbouwen van suikerriet en rijst. Als dominante minderheid hing de macht van de VOC tijdens hun bewind op Formosa echter aan een zijden draadje.

De porseleinhandel via Formosa

Tot het begin van de jaren dertig verliep de porseleinhandel met China via Fort Zeelandia moeizaam. De Chinese autoriteiten waren nog altijd niet bereid handel te drijven met de Nederlanders, en bovendien was er sprake van een piratenprobleem langs de Chinese kust. Via enkele prominente Chinese kooplieden probeerde de VOC vrije handel op gang te brengen. Handelaren stonden in China traditioneel gezien onderaan de sociale ladder en hadden een clandestiene status. Dit had als voordeel dat de VOC er gemakkelijker mee in contact kon komen dan met de officiële Chinese autoriteiten. Alsnog kwamen er slechts sporadisch Chinese jonken naar Formosa om handel te drijven. In deze beginperiode werd er voornamelijk gehandeld in kraakporselein , zoals platgoed, cameelskoppen en clapmutsen (afb. 4-6). De meerderheid van dit porselein verkreeg de VOC echter niet via Formosa, maar door middel van tussenhandel en kaapvaart.

 

De moeizame beginperiode werd doorbroken toen een belangrijke Chinese tussenpersoon van de VOC – Iquan (1604-1661 – Chinese naam: Zheng Zhilong) – een officiële functie kreeg binnen de Ming-overheid. In samenwerking met de VOC loste Iquan de piraterij langs de Chinese kust op, waardoor de weg voor vrije handel open kwam te liggen. In 1633 werd een handelsovereenkomst gesloten, met de belofte dat er elk jaar vijf grote en acht kleinere jonken zouden varen tussen de havensteden in de provincie Fujian en Fort Zeelandia. Dankzij deze afspraken floreerde de porseleinhandel gedurende een periode van ongeveer tien jaar. De VOC was hierdoor in staat controle uit te oefenen op wat voor soort porselein er in China geproduceerd werd. Per brief konden de Heren XVII vanuit Amsterdam hun voorkeur kenbaar maken, welke via Batavia in Formosa terecht kwam. Op deze manier werd er in China voor de VOC, op basis van meegestuurde voorbeelden, porselein geproduceerd in westerse vormen. Een bierkan in de collectie van het Groninger Museum en een onderschotel voor een schenkkan in de collectie van Keramiekmuseum Princessehof zijn hier representatieve voorbeelden van (afb. 7-8). De kegel in het midden van de schotel bood ondersteuning aan de – nu missende – kan.

Tot 1640 konden de Nederlanders rekenen op een stabiele toevoer van porselein. Aan deze hoogtijdagen kwam een einde toen in 1644 de Ming-dynastie viel: de Mantsjoes namen de macht over in China en stichtten de Qing-dynastie. Er heerste al geruime tijd sociale onrust, die was uitgemond in burgeroorlog en hongersnood. Veel arbeiders, waaronder uit de porseleinindustrie, kwamen daarbij om het leven. De burgeroorlog leidde er uiteindelijk ook toe dat de Nederlanders hun kolonie op Formosa verloren. Een groep Ming-loyalisten onder leiding van de legeraanvoerder Coxinga (1624-1662 – Chinese naam: Zheng Chenggong (de zoon van Iquan)) vluchtte vanuit Fujian naar Formosa en veroverde het eiland in 1662 op de VOC. De porseleinhandel met China kwam hierdoor nagenoeg tot stilstand. Om toch aan de aanhoudende vraag naar porselein in de Nederlandse Republiek te voldoen begon de VOC met het plaatsen van bestellingen in Japan. Ook werd het tekort deels opgevangen door de handel in Perzisch faience en Delfts blauw. Onder de heerschappij van de keizer Kangxi (1662-1722) keerde de rust weer terug in het Chinese keizerrijk en werd de handel in porselein voor de exportmarkt - waaronder voor Nederland - weer in volle vaart hervat.

Al met al vormde de kolonisatie van Formosa een unieke periode in de (porselein)geschiedenis van de VOC: niet alleen wist men voor het eerst direct handel te drijven met het Chinese keizerrijk, ook was de bezetting van het eiland de eerste vorm van territoriale kolonisatie door de VOC in Azië. De restanten van de Nederlandse aanwezigheid op het huidige Taiwan zijn nog altijd zichtbaar in onder andere de ruïnes van Fort Zeelandia en de stedenbouwkundige opzet van het district Anping.

Literatuur

Van Amstel, Aad, Barbaren Rebellen en Mandarijnen: De VOC in De Slag Met China in De Gouden Eeuw, Amsterdam: Thoeris, 2011.

Van Campen, Jan, Eliëns, Titus (Eds), Chinese and Japanese Porcelain for the Dutch Golden Age, Zwolle: Waanders Publishers, 2014.

Finlay, Robert, The Pilgrim Art: Cultures of Porcelain in World History, The California World History Library, 11. Berkeley: University of California Press, 2010.

Parthesius, Robert, Dutch Ships in Tropical Waters: The Development of the Dutch East India Company (VOC) Shipping Network in Asia 1595-1660, Amsterdam: Amsterdam University Press, 2010.

Ketel, Christine, Dutch Demand for Porcelain: The Maritime Distribution of Chinese Ceramics and the Dutch East India Company (VOC), First Half of the 17th Century, Leiden: doctoral thesis Leiden University, 2021.

Blussé, Leonard, ‘Van tussenpersonen, tolken en trotse heersers.’ Aan De Overkant: Ontmoetingen in Dienst Van De Voc En Wic (1600-1800), Ed. Wagenaar, L. (Lodewijk), Leiden: Sidestone Press, 2015: 11-33.