Satsuma pieces from the collection of the Princessehof National Museum of Ceramics

De Nederlandse musea herbergen een grote verscheidenheid aan Japanse keramiek geproduceerd in Arita, gelegen op het eiland Kyushu, dat bekend is geworden als Imari en het prestigieuzere Kakiemon. Dit betreft voornamelijk exportporselein, zoals serviesgoed en theegoed. De handel van dit porselein naar Europa beleefde zijn hoogtepunt van de late zeventiende tot de achttiende eeuw. In de tweede helft van de negentiende eeuw domineerde echter een heel ander type Japanse keramiek de Westerse markt: Satsuma. Vreemd genoeg zijn voorwerpen gedecoreerd in deze stijl nagenoeg afwezig in de vaste opstellingen van de Nederlandse musea en ook in de literatuur is er weinig aandacht voor.

De hoeveelheid Satsuma-keramiek in de museale collecties is relatief klein en daarnaast is er weinig kennis over de precieze herkomst van deze objecten. Desalniettemin is de Nederlandse totaalverzameling van deze keramiek van aanzienlijke kunsthistorische waarde en geeft een mooi visueel overzicht van de geschiedenis van een van de meest dynamische keramiekindustrieën in het Japan van de negentiende eeuw.

Het prille begin van Satsuma keramiek en Satsuma kinrande

Het begin van de keramiekindustrie in het Satsuma domein (huidig Kagoshima) gaat terug tot de late zestiende eeuw en houdt verband met de Japanse invasies (1592-93; 1597-98) van het Koreaanse schiereiland onder leiding van Toyotomi Hideyoshi (1537-1598). Als gevolg van deze invallen brachten de daimyō (feodale heren) die Toyotomi hadden ondersteund, Koreaanse pottenbakkersfamilies als krijgsgevangenen onder in hun feodale domein om keramiek te produceren. De Shimazu familie, hoofd van de Satsuma clan, verspreidde de Koreaanse bevolking over het gehele Satsuma domein. De pottenbakkers werden gevestigd op verschillende plekken waar veel natuurlijke grondstoffen waren, waaronder Tateno, Naeshirogawa, Ryūmonji, Hirasa en Nishimochida. Zo werd er in deze gebieden al snel een grote variëteit aan aardewerk geproduceerd onder wat tegenwoordig wordt aangeduid als ‘Satsuma-keramiek’.

Satsuma-keramiek wordt hoofdzakelijk onderverdeeld in twee groepen, namelijk ‘zwarte Satsuma’; donker geglazuurd aardewerk voor alledaags gebruik (afb. 1), en ‘witte Satsuma’; keramiek met een crèmekleurig, craquelé glazuur dat oorspronkelijk gebaseerd was op Koreaans theegoed uit de Joseon-dynastie (1392–1910) (afb. 2). In de achttiende eeuw werd de techniek van het emailleren (in het Japans bekend als nishikide) overgebracht vanuit Kyoto, waardoor witte Satsuma geleidelijk meer versierd werd met goud en kleuren. Dit kwam later bekend te staan alsSatsuma nishikide’ of het meer gekende Satsuma kinrande’, verwijzend naar het dominante gebruik van goud. (afb. 3). Het woord kinrande betekent in het Japans namelijk ‘goud’ of ‘brokaat’.

Oorspronkelijk werd Satsuma-keramiek alleen voor de binnenlandse markt gemaakt, waarbij het witte type exclusief geproduceerd werd voor de feodale elite en dus niet op de publieke markt gekocht kon worden. In de negentiende eeuw bracht de toenmalige daimyō Shimazu Nariakira (1809–1858) daar echter verandering in. Toen hij in 1851 aan de macht kwam, lanceerde hij het Shuseikan project (1851-1915), wat als doel had de Japanse industrie te moderniseren door het implementeren van Westerse technologie en fabrieken. Nariakira zag veel potentieel in Satsuma kinrande als een exportproduct, en hief de restricties rond de verkoop van witte Satsuma op. Daarnaast liet hij moderne keramiekwerkplaatsen bouwen waar keramisten konden experimenteren met Westerse emailtechnieken. Hierdoor verbeterde de productie, alsook de kwaliteit van Satsuma kinrande aanzienlijk.

Satsuma exportkeramiek: Een rage in het Westen

Tijdens l’Exposition Universelle in Parijs (1867), de eerste wereldtentoonstelling waarin Japan zichzelf vertegenwoordigde, werd Satsuma-keramiek – in het bijzonder Satsuma kinrande voor het eerst aan het Westerse publiek getoond. Het werd meteen een succes, zowel in Europe als in Amerika. Kunstcritici en -historici prezen ‘Satsuma’, zoals het in het Westen bekend kwam te staan, als een hoogtepunt van Japans vakmanschap waarin zij ook de Westerse esthetiek herkenden. Het gebruik van asymmetrie, de kleurrijke composities in email en goud, en de naturalistische decoraties op Satsuma waren de frisse artistieke wind waar Westerse kunstliefhebbers zo naar snakten na de impact van de Industriële Revolutie op de kunst en ambacht. De rage nam nog meer toe tijdens de daaropvolgende wereldtentoonstellingen, met name dankzij de tentoongestelde prachtwerken van onder andere Chin Jukan (1835–1906), Kinkōzai Sōbei VII (1868–1927), en Miyagawa Kōzan (1842–1916) (afb. 4-5).

Om aan de enorme stijging in de vraag naar Satsuma kinrande te voldoen verspreidde de Japanse productie zich naar metropolen zoals Yokohama, Kobe, Osaka, en Kyoto. De benaming stond dan ook niet langer voor een keramieksoort geproduceerd in het Satsuma domein, maar een decoratiestijl gekarakteriseerd door het crème-witte craquelé glazuur en rijkelijke versieringen in email en goud. De Satsuma-stijl werd een medium voor Japanse keramisten om te experimenteren in de nieuwste bak- en decoratie technieken uit het Westen. Tegelijkertijd was het voor hen een manier om hun artistieke vrijheid te verkennen en zich zo een plek te veroveren in een concurrerende markt.

De rage voor Satsuma-keramiek in Europa en Amerika duurde echter slechts enkele decennia. De markt werd al snel overvoerd met producten van mindere kwaliteit, wat een einde maakte aan het geromantiseerde beeld dat het Westen had van Japan als een pre-industriële oase waarin traditioneel vakmanschap nog hoog in het vaandel stond. Door de verzadiging van de Satsuma markt hielden de vele Japanse keramiekwerkplaatsen het hoofd niet langer boven water, en opvolgers van pottenbakkersfamilies zagen niet langer een toekomst in deze tak van de keramiekindustrie. De internationale economische crisis in de jaren die volgde na de Eerste Wereldoorlog betekende definitief het einde van de Satsuma exportindustrie, die rond 1930 volledig was uitgedoofd.

Satsuma in het Nederlandse museumlandschap

Ondanks het hierboven beschreven belang van Satsuma in de Japanse keramiekgeschiedenis en als een belangrijk Japans exportproduct naar Europa in de periode 1870-1930, is deze keramiek weinig zichtbaar in de vaste presentaties van de Nederlandse musea. Wat zijn hier de redenen voor?

In tegenstelling tot het Japanse Imari en Kakiemon porselein, dat in de zeventiende en achttiende eeuw massaal naar Nederland werd verscheept en lokaal geïmiteerd, heeft Satsuma nooit een dominante positie ingenomen op de Nederlandse keramiekmarkt. Sloot Satsuma - met zijn felle kleuren en gouden decoraties - niet aan bij de Nederlandse esthetiek? Dat lijkt te betwijfelen, aangezien in veel privécollecties nog altijd een grote hoeveelheid van deze keramiek aanwezig is, al is deze opvallend genoeg vaak van lage kwaliteit. Waren de betere stukken wellicht te prijzig? Of kwamen deze simpelweg niet in Nederland terecht, aangezien de voornaamste handel in Satsuma-keramiek via andere Europese landen verliep? Deze vragen blijven tot nog toe onbeantwoord.

Het is opvallend dat de meerderheid van de Satsuma-keramiek vertegenwoordigd in de Nederlandse musea het resultaat is van de donaties en legaten van slechts een handvol verzamelaars, in het bijzonder George Anders en Netty Bücher (Collectie Anders), Herman Karel en Betsy Westendorp-Osieck (Collectie Westendorp-Osieck), en Willem Jan Rust (Collectie Rust). Zij hadden gemeen dat ze een globale kijk hadden op het verzamelen van Oost-Aziatische voorwerpen uit uiteenlopende perioden, gaande van antiek Chinees en Japans porselein tot meer hedendaagse stukken. Deze overeenkomende insteek verklaart mogelijk waarom Satsuma wel een plekje kreeg in hun verzamelingen. Zij kochten deze stukken waarschijnlijk voornamelijk in het buitenland, en zijn allen van relatief hoge kwaliteit.

Toch dient de totaalverzameling aan Satsuma-keramiek in de Nederlandse musea niet onderschat te worden. Deze telt zo’n negentig objecten verdeeld over het Wereldmuseum, het Rijksmuseum, Keramiekmuseum Princessehof, Museum Prinsenhof Delft, Groninger Museum, en Kunstmuseum Den Haag. Tezamen bestrijken zij de volledige productieperiode van Satsuma-keramiek, gaande van de vroege stukken uit de zeventiende eeuw tot een variëteit aan export Satsuma uit de late negentiende en vroege twintigste eeuw. De collectie als geheel geeft daarmee een representatief overzicht van betere en mindere kwaliteit Satsuma, het assortiment aan producten die keramiekwerkplaatsen produceerden, de verscheidenheid aan technieken die in Satsuma-keramiek werden toegepast, en de decoratieve elementen die deze keramiek zo populair maakten in Europa en Amerika. Hieronder volgt een overzicht van enkele typerende stukken in deze museale collecties:

Het Rijksmuseum huist een aanzienlijke verzameling van het vroege Satsuma, variërend van zwarte Satsuma theebussen tot witte Satsuma en Satsuma kinrande (afb. 1-3), waarbij deze stoftheebus en kom een mooi voorbeeld zijn van hoe witte Satsuma geleidelijk aan bedekt werd met meer en meer email (afb. 6-7). In de periode 1880-1890, wanneer Satsuma zijn initiële hoogtepunt voorbij was, segmenteerde de Satsuma markt in het Westen zich in twee hoofdgroepen, zijnde het algemene publiek dat een typisch en modieus Japans product zocht, en kunstverzamelaars die meesterwerken wensten te kopen. Hierdoor is er een groot verschil in kwaliteit, zoals te zien in twee dekseldozen (afb. 8-9). Het eerste exemplaar heeft een weinig verfijnde en overdadige decoratie in email en goud en het geheel aan compositie ontbreekt, terwijl het tweede exemplaar met zijn fijne, maar bescheiden decoratie het vakmanschap van de maker benadrukt. Sommige keramiekwerkplaatsen produceerden voorwerpen van een zeer diverse kwaliteit om op alle soorten klanten in te spelen, zoals twee voorwerpen geproduceerd in de werkplaats van Kinkōzan Sōbei VII (afb. 10-11). Het miniatuurvaasje met minuscule details zal eerder gemaakt zijn voor een echte verzamelaar die oog had voor kwaliteit, terwijl het vluchtige afgewerkte saké kopje meer een ludiek Japans object diende.

Een dekseldoos en een houtskoolbrander van het Groningen Museum laten treffend zien hoe technieken overgenomen uit het Westen geïntegreerd werden in Satsuma-keramiek (afb. 12-13), zoals de blauwe ondergrond op het deksel, ook te zien in rococostijl gedecoreerd Sèvres porselein, of de pâte-sur-pâte techniek van de houtskoolbrander, waarbij slib wordt aangebracht op het oppervlak om een reliëf te creëren. Daarnaast speelden Japanse keramisten ook met hun eigen technieken. Ze stonden erom bekend om decoraties op een onconventionele manier te combineren met de vorm van het voorwerp. Zo toverden ze gebruiksvoorwerpen om tot optische illusies en driedimensionale sculpturen die als het ware uit het oppervlak van het porselein “groeien” (afb. 14, 15).

Wat Satsuma kinrande met name zo geliefd maakte in het Westen was de combinatie van de Japanse en Westerse esthetiek. Een prachtig voorbeeld hiervan zijn twee vazen in de Art Nouveau-stijl in het Keramiekmuseum Princessehof (afb. 16-17). Deze kunstbeweging, geïnspireerd door het Japonisme en het eerdere Chinoiserie, inspireerde op zijn beurt Japanse keramisten om de natuur op een meer stilistische manier voor te stellen. De fijne voorstellingen van de natuur op de werken doet terugdenken aan de stijlperiode van de Romantiek uit de late achttiende-negentiende eeuw. De flamboyante arabesken en details in goud doen denken aan de achttiende-eeuwse Rococostijl.

De voorgaande voorbeelden laten zien dat de relatief kleine, maar desalniettemin omvangrijke totaalverzameling aan Satsuma objecten in de Nederlandse musea de moeite waard is om verder te verkennen. Hoewel Satsuma exportkeramiek historisch gezien niet veel heeft betekend voor de Nederlandse keramiekmarkt, is de populariteit ervan in Europa en Amerika wel in een breder verband te zien van de ontwikkelingen in die periode. Het is daarnaast ongetwijfeld een van de meest dynamische exportkeramiek industrieën geweest in negentiende eeuw Japan en verdient het daarom om meer aandacht te krijgen in de vaste collecties van de Nederlandse musea.

Literatuur

Satō Dōshi, Modern Japanese Art and the Meiji State: The Politics of Beauty, Los Angeles 2011.

Jan de Hond & Menno Fitski, De smalle brug: Japan en Nederland sinds 1600, Amsterdam 2016.

Gregory Irvine, ‘From Namban to Meiji: The Availability and Reception of Japanese Art in the West’, in: Irvine, Gregory (red.), Japonisme and the Rise of the Modern Art Movement: The Arts of the Meiji Period: The Khalili Collection, New York 2013.

Gisela Jahn & Michael Foster, Meiji Ceramics: The Art of Japanese Export Porcelain and Satsuma Ware 1868-1912, Stuttgart 2004.

Kiyomizu Museum of Art, SATSUMA: Kiyomizu Sannenzaka Bijutsukan Corekushon [SATSUMA: Kiyomizu Sannenzaka Museum Collectie], Kyoto 2015.

Louis Lawrence, Satsuma: Masterpieces from the World’s Important Collections, London 1991.

Clare Pollard, ‘Gorgeous with Glitter and Gold: Miyagawa Kōzan and the Role of Satsuma Export Ware in the Early Meiji Ceramic Industry’, in: Conant P. Ellen (red.), Challenging Past and Present: The Metamorphosis of Nineteenth-Century Japanese Art, Honolulu, Hawaii 2006, p. 133-150.

Satsuma-yaki Pari Dentō-bi-ten Jikkō Iinkai, Sakaishi hakubutsukan & Nihon keizai shinbun-sha, Satsuma- yaki: 400-nen no dentō to Pari wo miryō shita bi: Nichifutsu kōryū 150 shūnenkinen satsuma-yaki Pari dentō-bi-ten kaisai kinen-ten [Satsuma-keramiek: 400 jaar van traditie en schoonheid die Parijs betoverde: Ter herdenking van 150 jaar uitwisseling tussen Japan en Frankrijk], Osaka 2008.

Christine Shimizu, ‘La Céramique Japonaise et La Céramique de Satsuma’, In: Christine Shimizu & Hiroyuki Yamashita, Satsuma: De l’exotisme Au Japonisme, Parijs 2007 p. 20-24.

Jan Veenendaal & Titus Eliëns (red.), Asian Art and Dutch Taste, Den Haag 2014.

Hiroko Yokomizo, ‘The Presentation and Reception of Japanese Art in Europe during the Meiji Period’, in: Irvine, Gregory (red.), Japonisme and the rise of the modern art movement: the arts of the Meiji period: the Khalili collection, New York 2013.

Watanabe Yoshirō, ‘Satsuma-Yaki Kara SATSUMA e [Van Satsuma-keramiek naar SATSUMA]’, in: University of Zurich, Online International Symposium: Japanese Ceramics Brought to Switzerland, Zurich 1 januari 2022, p. 229-30.

Watanabe Yoshirō & Kumamoto Takashi, Nihon no yaki mo no kama betsu gaido: Satsuma (kama betsu gaido Nihon no yaki mono) [De gids voor Japans aardewerk: Satsuma], vol. 5, Kyoto 2003.